DE EVOLUTIE VAN FYSIEKE VOORBEREIDING (1)
De grote oorlogen van de twintigste eeuw hebben het denken over fysieke voorbereiding verder gevormd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bestond fysieke training vooral uit een beperkt aantal elementen. Soldaten moesten lange afstanden kunnen lopen, zware uitrusting dragen en langdurig functioneren onder extreme vermoeidheid. Training bestond voornamelijk uit marsen met bepakking, hindernisbanen, bajonettraining en calisthenics. Het doel was simpel: discipline en basisconditie.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde dit denken. Legers realiseerden zich dat soldaten niet alleen sterk moesten zijn, maar vooral functioneel fit. De Amerikaanse krijgsmacht introduceerde in 1941 een uitgebreid Physical Training Program waarin obstacle courses, sprinttraining, klimmen en klauteren gecombineerd met circuittraining centraal stonden. Veel van deze trainingsvormen lijken opvallend veel op wat we vandaag kennen als functional training of tactical fitness.
In de Korea-oorlog werd opnieuw duidelijk hoe belangrijk fysieke voorbereiding was. Soldaten opereerden in bergachtig terrein en extreme kou. Training verschoof daarom naar belastbaarheid onder zware omstandigheden: load carriage, veelzijdig bewegen, duurvermogen en energiebeheer.
Tijdens de Vietnamoorlog ontstond de basis voor moderne military fitness. Operaties in jungle, hitte en vochtigheid vroegen om mobiliteit, kracht-uithoudingsvermogen en snel reageren onder stress. Special Forces begonnen met trainingsvormen zoals ruck marches, jungle warfare training, sprinttraining en intensieve circuittraining. In deze periode ontstonden ook de eerste gestandaardiseerde fysieke tests binnen de Amerikaanse krijgsmacht.
Hedendaagse conflicten lessen uit Irak, Afghanistan
De oorlogen van de afgelopen twintig jaar hebben opnieuw invloed gehad op hoe we kijken naar fysieke voorbereiding. Tijdens operaties in Irak en Afghanistan bleek dat militairen langdurig moeten functioneren onder hoge fysieke en mentale belasting: patrouilles met zware bepakking, operaties in extreme hitte of hoogte, langdurige inzetperioden en een constant hoge stressbelasting. Dit leidde tot meer aandacht voor tactical strength & conditioning.
Een belangrijke les uit deze conflicten is dat militairen niet alleen sterk of snel moeten zijn, maar vooral duurzaam inzetbaar moeten blijven. Herstel, mobiliteit, slaap, mentale weerbaarheid en blessuremanagement werden daarom steeds belangrijkere onderdelen van deze militaire trainingsprogramma’s.
Tegelijkertijd zien we in de recente conflicten, zoals de oorlog in Oekraïne, dat oorlogvoering zich opnieuw ontwikkelt. Dit gevecht combineert moderne technologie zoals drones met elementen die doen denken aan de loopgravenoorlog van de Eerste Wereldoorlog. Soldaten opereren vaak langdurig in statische posities, onder constante dreiging van artillerie en drones. En waarbij ze tegelijkertijd snel moeten kunnen verplaatsen en reageren op acties van de vijand.
De geschiedenis van deze oorlogen laat een duidelijke ontwikkeling zien: van eenvoudige fysieke voorbereiding naar een steeds meer taakgerichte en wetenschappelijk onderbouwde training. Deze ervaringen vormen uiteindelijk de basis voor de moderne doctrine van Military Strength & Conditioning, waarin fysieke inzetbaarheid en adaptieve periodisering centraal staan.
Periodiseren: een fossiel uit de twintigste eeuw?
Lang voordat de hedendaagse sportwetenschap bestond, begrepen de Grieken en Romeinen al dat fysieke paraatheid het verschil kan maken tussen overwinning en nederlaag. In het oude Griekenland werd training gezien als een morele en militaire plicht om lichaam en geest te trainen. Hier liggen ook de ’roots’ van de hedendaagse Olympische Spelen. Veel deelnemers waren strijders en hun trainingen bestonden uit cycli van opbouw, intensivering en herstel om hun fysieke niveau en skills te optimaliseren. Eigenlijk een vroege vorm van wat wij vandaag periodisering noemen met het bekend verhaal uit de Griekse mythologie van Milo van Croton. Volgens dit verhaal tilde hij dagelijks een kalf op zijn schouders. Naarmate het kalf groeide naar volwassen stier, werd Milo sterker. Het principe achter dit verhaal is wat wij nu kennen als Progressieve belasting en is nog steeds een van de fundamenten van moderne trainingsleer. Het waren vervolgens de Romeinen die deze gedachte overnamen en er een militair systeem van maakten. Deze Romeinse legionairs trainden dagelijks: marsen met bepakking, worstelen, gevechtsdrills en krachttraining d.m.v. houten wapens die zwaarder waren dan hun echte wapens.
De moderne vorm van periodisering
Hoewel het idee van systematisch trainen al eeuwen oud is, kreeg periodisering pas echt vorm in de twintigste eeuw. Eigenlijk na de Tweede Wereldoorlog en begindagen van de Koude Oorlog kwam deze ontwikkeling echt op gang. Door de sportwetenschap van de Sovjet-Unie en Oost-Duitsland werd training voor het eerst volledig wetenschappelijk benaderd. Sport was daar met name een middel voor nationale prestige naast gezondheid of recreatieve doeleinden. Sportwetenschappers zoals Matveyev ontwikkelden modellen waarin training werd verdeeld in macro-, meso- en microcycli. De atleten werkten systematisch toe naar een piekmoment zoals wereldkampioenschappen of Olympische Spelen. De fysieke belastingen werden zorgvuldig gepland, herstel werd gemonitord en prestaties werden nauwkeurig gemeten. Deze aanpak leidde vaak tot indrukwekkende resultaten. Sovjet- en Oost-Duitse sporters domineerden lange tijd internationale competities. Hun methodes vormden de basis voor veel moderne trainingssystemen. Dat er daarnaast ook een goed uitgedacht systeem was omtrent prestatie bevorderende middelen laten we hier even buiten beschouwing.
Bij ons in het Westen aan de andere kant van het IJzeren Gordijn ontwikkelden met name de Verenigde Staten een andere benadering. De Sovjets focusten sterk op pieken naar één wedstrijd waarbij Amerikanen de focus legden op presteren gedurende het seizoen en dit uitsmeerden over meerdere wedstrijden. Hierdoor ontstonden flexibeler modellen zoals undulating periodization, conjugate training en later het emphasis model. In plaats van één piekmoment draait het daarbij om een sterke basis te verkrijgen waarin verschillende fysieke kwaliteiten tegelijk onderhouden worden.
Het VATH principe en de invloed van Henk Kraaijenhof
Binnen de Nederlandse trainingspraktijk speelde Henk Kraaijenhof een belangrijke rol in het introduceren van systematisch denken over trainingsopbouw. Kraaijenhof, een toonaangevend sprint- en performancecoach van onder andere olympische topatleten, stond bekend om zijn pragmatische benadering van trainingsleer. Hij combineerde wetenschappelijke inzichten met praktische toepasbaarheid voor coaches en trainers. In zijn visie stond het VATH principe centraal: Voorbereiden – Aanpassen – Toepassen – Herstel. Zijn model beschrijft een logische trainingscyclus met: het ontwikkelen van een brede fysieke basis naar het verhogen van de trainingsprikkel en het aanpassen van de belasting aan de specifieke taak of sport met vervolgens vertalen van fysieke kwaliteiten naar prestaties in de praktijk of wedstrijdsituatie. Met als laatste het herstel plannen zodat adaptatie kan plaatsvinden en overbelasting wordt voorkomen. De kracht van Henk Kraaijenhof’s benadering lag in de eenvoud: een helder model dat (militair)trainers helpt om systematisch te denken over belasting, herstel en prestatie. Deze gedachtegang vormde een belangrijke basis voor de ontwikkeling van periodisering binnen de LO&Sportorganisatie.
Publicatiedatum: 27 maart 2026





