Vrienden van het dienstvak LO&Sport
 

DARTS VS MILITAIREN
WAT KUNNEN WE LEREN VAN MICHAEL VAN GERWEN?

Door Oscar Prins

De 24-jarige Brabander deed zijn bijnaam de ‘kale sloopkogel’ eer aan door in de finale van het WK Darts als een razende van start te gaan. Hij won de eerste vier sets op rij en gunde opponent Peter Wright amper ruimte. ‘Snakebite’ kon zich herstellen toen hij kon profiteren van de plotseling toeslaande nervositeit bij Van Gerwen, die zijn dubbels begon te missen.Wright kwam terug naar 4-2. De volgende set werd enorm spannend en het was Michael van Gerwen die de dubbel achttien raakte nadat Wright zijn kans miste en in de daaropvolgende set maakte Van Gerwen het af met een dubbel-twee voor de 6-2.

Wright komt terug tot 6-4

De opleving in scherpte bij de 24-jarige Brabander duurde slechts kort want de twee daaropvolgende sets waren wederom voor de Schot die zich terugvocht naar 6-4 waardoor hij Van Gerwen nog even uit de buurt kon houden van zijn eerste wereldtitel darten. In de elfde set werd het 2-2 maar doordat Wright tot twee keer toe zijn kans niet benutte op de dubbels, is het Michael van Gerwen die met een 7-2 finish zijn eerste titel op het WK Darts verdient.

Titel en drie ton

Naast de wereldtitel darten en de felbegeerde en loodzware Sid Waddell Trophy, verdiende Michael van Gerwen ook een kwart miljoen Britse Ponden, een slordige €300.000,00.

De omstandigheden:

Hierboven een korte impressie van de wedstrijd. Wat niet wordt weergegeven in het verslag zijn de omstandigheden waaronder Van Gerwen moest presteren. Er spelen nogal wat prestatie-beïnvloedende-factoren. Ik zal er een paar noemen. De omgeving waarin de finale plaatsvind is chaotisch en zeer rumoerig. Het publiek zwaait met vlaggetjes, schreeuwt, lalt en viert feest. De tegenstander van Van Gerwen is gekleed in kleurige, vreemd uitziende kleding en beschilderd met oorlogstekeningen van een slang op zijn hoofd. Ook worden de televisie opnames over de hele wereld uitgezonden. De inzet van het spel is hoog, namelijk eeuwige roem en een enorme geldprijs.

Van Gerwen zijn talent:

Het lukt Van Gerwen zijn zenuwen de baas te blijven. Ondanks de druk gooit hij dubbels met speels gemak. Het gooien van een dubbel is millimeter werk, wat slechts lukt wanneer de oog-hand coördinatie tot op de millimeter is afgestemd. Je ziet hem concentreren, mikken en zijn pijl gooien. Na de actie is er ontspanning en een momentje rust tijdens de werpbeurt van de tegenstander.

De vraag is welke elementen bij elkaar komen voor de perfecte worp en hoe hij deze verworven heeft.

Een aantal elementen welke een rol hebben gespeeld, zijn oa; fysieke getraindheid, techniek, wedstrijdervaring, focus, concentratie en zelfvertrouwen. De enige wijze waarop hij deze elementen heeft kunnen perfectioneren is door zeer veel training. Ook heeft hij veel wedstrijdervaringen opgedaan in de voorbereiding naar deze wedstrijd. Daarnaast heeft hij het vermogen ontwikkeld om zijn omgeving en haar chaos en de gedachte aan de uiteindelijke beloning volledig te blokken.

Vergelijking met het werk van de militair:

Ons optreden kan onder zeer chaotische omstandigheden plaatsvinden. Onze tegenstanders zijn goed uitgerust en imponerend aanwezig. Er is een hoop lawaai en bijzondere situaties volgen elkaar snel op. De inzet van het spel is enorm hoog, nml. overleven. Een tweede plaats is niet acceptabel. Ons gereedschap is een wapen dat onder zeer moeilijke omstandigheden met millimeters precisie gehanteerd moet worden. Van invloed zijn ademhaling, lichaamshouding, concentratie en focus, trekker techniek, richten, en overige invloeden zoals wind, schootsveld en een bewegend doel.

Wat kunnen we leren van Van Gerwen?

De sportinstructeur binnen defensie kan een prima ondersteuning bieden bij de ‘wedstrijdvoorbereiding’ van de militair. Er speelt altijd meer dan het uitvoeren van de truc alleen. Het hanteren van bijvoorbeeld een gevechtswapen op een schietbaan zal anders zijn dan op een gevechtsbaan. Vanaf de opleiding van de militair werken we planmatig aan prestatieverbetering, met als doel een effectieve militair te ontwikkelen. Onze fysieke en mentale programma’s zijn afgestemd op de specifieke taak van de militair. We werken aan het verbeteren van het algemene fysieke vermogen van de militair. Zodra dit op niveau is, gaan we zijn algemene fysieke inzetbaarheid ombuigen naar taak specifieke fysieke getraindheid. Hiernaast werken we aan coördinatie op onze diverse hindernisbanen. Ook proberen we de militair eigenwaarde en zelfvertrouwen mee te geven door het laten uitvoeren van mentale trainingen op bijvoorbeeld een klimtoren of tijdens een MZV-les. Vooral bij de laatste twee items kan veel winst behaald worden. Kijk maar eens wat er met een militair gebeurt wanneer hij een MZV-baan loopt, waarbij een combinatie van skills en drills beoefend worden met daarbij fysiek zware arbeid en chaos. Een ander voorbeeld is het hanteren van veiligheidsregels en discipline onder schijnbaar onveilige situaties op een klimtoren. Over het algemeen zien we dat elke militair hier zijn persoonlijke lessen uit kan halen.

Het is van groot belang om deze lessen toegankelijk te houden. Hier ligt de uiteindelijke relatie met het taakspecifieke optreden van de gevechtssoldaat en zijn mentale training. In verband met de kwaliteit van de lessen zullen we als LO/Sportorganisatie zorg moeten dragen voor voldoende opleiding van de sportinstructeur. Ook moeten we bewaken dat de vakgebieden MZV en Klimtoren, ondanks alle regels en restricties, toegankelijk en toepasbaar blijven. Naar mijn idee verankeren we met deze vakgebieden ons bestaansrecht.

Op deze manier leveren we een essentiële bijdrage aan een militair die onder alle omstandigheden zijn skills en drills goed kan uitvoeren. Een militair met zelfvertrouwen en focus. Eentje die dubbels kan gooien op de momenten wanneer het er om gaat…….

Publicatiedatum: 18 november 2016


REACTIE OP HET ARTIKEL OVER DARTERS VS MILITAIREN

Door Rik van Trigt

Naar aanleiding van een stuk dat recent door collega Oscar Prins is geplaatst over de mentale skills van dart-speler Michael van Gerwen, voel ik de behoefte te reageren. Een reactie vanuit mijn achtergrond én vanuit het hart...

In het betreffende stuk wordt gesproken over de mogelijkheid om dart als 36ste sport in het aanbiedingspakket van de LO&Sportorganisatie op te nemen. Uiteraard ben ik onder indruk van de mentale skills van darters die op topniveau, veelal onder hoge druk, presteren. Echter, het is in mijn ogen een flinke brug te ver de ‘fysieke getraindheid’ van de gemiddelde topdarter exemplarisch te laten zijn voor ons militair personeel, zoals in het stuk zijdelings wordt gesuggereerd. Onderstaande ter onderbouwing van mijn stelling.

Tijdens mijn werkzaamheden als trainingsdeskundige bij Trainingsgeneeskunde en Trainingsfysiologie (TGTF) kom ik bijna dagelijks met militairen in aanraking die door verschillende omstandigheden niet meer in staat zijn om te voldoen aan de voor de eenheid en het individu gestelde eisen. Wanneer die cliënten vanwege psychisch of fysiek letsel niet meer inzetbaar zijn, is de reden van de verminderde inzetbaarheid duidelijk: deze groep wordt hier buiten beschouwing gelaten. Daarentegen zullen we militairen (in alle leeftijdsgroepen) die door verschillende redenen te kampen hebben met overgewicht – en dus overeenkomsten vertonen met de grootheden uit de dartsport – in dit stuk goed tegen het licht houden.

In bijna alle gevallen is fysieke inactiviteit, al dan niet in combinatie met een ongezond voedingspatroon, de oorzaak van overgewicht en daarmee voor het in de hand werken van klachten die het functioneren in het dagelijks leven danig kunnen ontwrichten. De nadelen van overgewicht op lange termijn zijn algemeen bekend en lopen van het niet halen van fysieke eisen tot aan hypertensie, diabetes type 2, hart- en vaatziekten en andere ernstige levensbedreigende aandoeningen. Ongeveer 1.4% (805 miljoen euro) van de totale volksgezondheidsuitgaven in Nederland is het gevolg van te weinig lichaamsbeweging. Toekomstscenario’s laten zien dat het Nederland 800 miljoen euro aan extra medische uitgaven kost wanneer de gemiddelde Nederlander op het huidige niveau inactief blijft. Door te bewegen c.q. sporten besparen we collectief bijna 1.6 miljard euro!

Onder overgewicht versta ik overigens: een gemeten vetpercentage van meer dan 15% bij mannen en bij vrouwen meer dan 25%, een Queteletindex van meer dan 25 en/of een buitenproportionele buikomvang. Ik zal toelichten hoe ik hieraan kom.

Een meting van het vetpercentage, zoals dat met de huidplooidiktemeter gedaan wordt, geeft een vrij nauwkeurig beeld van de hoeveelheid vet in het lichaam. Echter, deze meting vraagt ervaring van de meter en is daarmee moeilijker uit te voeren dan de BMI- en buikomvang methode (zie onder). Bovendien zullen richtlijnen en adviezen voor vetpercentage steeds naar sekse en leeftijd moeten worden uitgesplitst. Toch kennen de meeste LO&Sportcollegae de blauwe ‘huidplooitang’ die al sinds mensenheugenis gebruikt wordt voor vetpercentage metingen.

De Queteletindex of Body Mass Index (BMI) is eenvoudig te bereken (namelijk: gewicht in kilogram delen door het kwadraat van de lengte in meters) om mensen snel beeld te geven omtrent de eigen lichaamsverhoudingen. De BMI corrigeert alleen voor lichaamslengte, maar dat is dan ook verreweg de belangrijkste factor. Een voorbeeld van de BMI index: Ik weeg 78 kilogram, mijn lichaamslengte is 1,81 m. De BMI is dus: 78 gedeeld door 1.81 x 1.81 = 23.1. Een BMI waarde van minder dan 18,5 duidt op ondergewicht. Ondergewicht kan veroorzaakt worden door ondervoeding, een eetstoornis of door een ander gezondheidsprobleem. Vanaf een index van 25 wordt van (licht) overgewicht gesproken. Boven een waarde van 30 is er sprake van ernstig overgewicht of obesitas. Een waarde hoger dan 40 duidt op morbide obesitas of ziekelijk overgewicht En boven de 50 van superobesitas. Bij een BMI van boven de 40 en een leeftijd tussen de 18 en 65 jaar komt men in aanmerking voor een operatie om invloed uit te oefenen op het gewicht. Het bijzondere van de BMI is dat deze voor mannen en vrouwen vrijwel gelijk uitvalt, hetgeen voor biometrische getallen zeldzaam is. Daarnaast is deze index redelijk onafhankelijk van de leeftijd. Dit maakt het mogelijk voor alle volwassenen dezelfde richtlijnen te hanteren. Nadeel van de methode is dat geen rekening wordt gehouden met lichaamssamenstelling: een individu met een laag vetpercentage en veel spiermassa (uw gemiddelde topjudoka) kan dus ook een hoge BMI hebben!

De buikomvang of middelomtrek (MO) wordt tegenwoordig gezien als een belangrijke gezondheidsmaat. Het geeft een indruk van de vetverdeling, met name of er zich veel vet in het buikgebied bevindt. Vet dat zich ophoopt in de buikholte brengt een veel groter risico met zich mee voor hart-vaatziekten dan vet dat zich bijvoorbeeld op de heupen bevindt. Meting van de MO is er dus vooral op gericht om een ongunstige vetverdeling te achterhalen. Omdat mannen in het algemeen een ongunstiger vetverdeling hebben dan vrouwen (‘buikje versus heupen’, het bekende appel-peer-model), zijn de grenswaarden voor MO geslachtsafhankelijk: een MO van minder dan 80 cm bij vrouwen of van minder dan 94 cm bij mannen wordt in Nederland als indicator van een normaal gewicht gezien. Belangrijk bij het meten van de MO is wel dat op de juiste hoogte wordt gemeten (grofweg: ter hoogte van de navel).

Ik durf de stelling wel aan dat personeel met een gezond gewicht op vele terreinen van het militaire vak (ook het mentale!) beter zal presteren dan personeel met een ongezond gewicht. Ik wordt daarin niet alleen ondersteund door mijn eigen ervaringen, maar ook door talrijke wetenschappelijke studies, al dan niet bij militaire populaties. Natuurlijk weet ik dat er collega’s met overgewicht te vinden zijn die prima in staat zijn bepaalde functies goed uit te oefenen. Een voorbeeld ‘uit de oude doos’ is de toegevoegd S4 die rokend als een locomotief en met 100 kg plus prima zijn functie kon uitoefenen (al werd het wel lastig als je hem in een scenario als gewonde moest verplaatsen). Overigens is die oud-collega ons veel te vroeg, op 62 jarige leeftijd, ontvallen.

Fit for Action is essentieel in de operationele inzet. Toch is in mijn optiek het nastreven van de Fit for Life gedachte nog veel belangrijker. Dat betekent dus voor ons als fysieke vormers dat we een taak hebben om bij personeel van rond de 30 jaar al regelmatig simpele gezondheidsscans te doen, onder meer in de vorm van eenvoudige metingen van de lichaamsmaten. Het is gebleken dat in deze leeftijdsgroep (preventieve) gezondheidsinterventies nog succesvol kunnen zijn en dat dat op latere leeftijd een veel moeilijker verhaal wordt. Deze interventies gaan onder meer over gezonde leef, eet- en bewegingspatronen in het kader van die Fit for Life gedachte. Een stap in de goede richting zou dan ook zijn om eerst het personeel van de eenheden goed voor te lichten over dit soort interventies. Heldere en overal van internet te plukken informatie, richtlijnen en leefregels kunnen hierbij helpen, bijvoorbeeld de “6 gouden gezonde leefregels”:

1. Niet roken,

2. Zon verstandig,

3. Beweeg voldoende, vaak en methodisch verantwoord veel

4. Eet gezond ,

5. Geen overgewicht,

6. Matig of geen alcoholgebruik

of de “4 voedingsrichtlijnen”:

1. Ban suikerhoudende producten uit, behalve de complexere varianten zoals in zilvervliesrijst of volkoren pasta’s.

2. Eet normaal op vaste momenten op de dag gezonde en kwalitatief hoogwaardige maaltijden. Denk hierbij bijv. aan het Mediterrane voedingspatroon: veel groenten, fruit, noten, vis, olijfolie en matige hoeveelheden vlees

3. Beperk de tussendoortjes tot fruit of bv. versnaperingen uit de biologische keuken (die gebruiken veel relatief gezonde zoetstoffen zoals tarwestroop of rijststroop: wel even wennen aan de minder intense zoete smaak!).

4. Kortom: ga voor kwaliteit in je voeding, meer dan voor calorie-restrictie!

 

Een van de zaken die we daarna moeten doorpakken is het op de juiste wijze trainen van kracht en uithoudingsvermogen. Dit heeft namelijk een positieve uitwerking op tal van gezondheidsfactoren (bloeddruk, cholesterol, immuunsysteem, etc.), prestatieniveau en algemeen welbevinden. Bedenk dat lichaamsbeweging krachtiger is dan veel medicijnen en, mits verantwoord opgebouwd, zonder bijwerkingen is!

Voor de collegae die deze handschoen op gaan pakken is het heel makkelijk om binnen de LO&Sportgroep ervaring op te doen met het monitoren van gezondheid, door gewoon al eens bij elkaar gewicht, lengte en vetpercentage te meten. Binnen mijn eigen LO/Sportgroep maakten we in het verleden hier een soort competitie van. Wanneer je wat meer vertrouwd raakt met deze manier van meten is de volgende stap om dit te gaan toepassen bij de eenheden. Uiteraard is het dan zaak om ook daadwerkelijk aan de slag te gaan met wat er uit de metingen komt.

Ik hoop dat dit stuk - eigenlijk dus ontstaan als reactie op de ‘fysieke gesteldheid van dartspelers’ - een stimulans voor u is om eens kritisch te kijken hoe u er zelf voor staat en, niet te vergeten, hoe uw eenheden er voor staan. Overigens heb ikzelf in het verleden in iedere LO&Sportgroep waar ik mocht werken het dartbord in de vuilnisbak gedumpt. In mijn visie gaan LO&Sportinstructeurs in hun vrije tijd of andere productieloze momenten maar werken aan het verbeteren van het FMOTP van de operationele klant of de fysieke component van zichzelf, het zogenaamde “onderhouden van de fysieke geschiktheid”. U snapt het, persoonlijk ben ik van mening dat het darts-concentratiespelletje prima past in een café, of van mijn part op een sportdag voor bijvoorbeeld inactieve 50 plussers of Bronbeek. Over oudjes gesproken: wist u dat lichaamsbeweging een sterk beschermende werking heeft bij de (leeftijdsgebonden) achteruitgang in mentale vaardigheden bij allerlei activiteiten. Zoals darten.