Vrienden van het dienstvak LO&Sport
 
 
 
 


MET DE POLLEPEL GESCHREVEN
DEEL 8 : SHANI DAVIS

Door columnist Indy van de Poll


Als we in Nederland ergens goed in zijn, ja, dan is het wel in schaatsen. Waar we in het voetbal reddeloos wegzakken in het Madrileense en Parijse drijfzand van Real en PSG, waar de steenrijke oliesjeiks het geld bij op de rug groeit, gaat het op de schaats van een leien dakje. Waar Ajax in de voorronde van de Champions League uiterst zielig terug naar Amsterdam wordt gebonjourd door clubs uit Oostenrijk, Liechtenstein en weet ik waar nog meer vandaan, rijgen we de schaatssuccessen fluitend aaneen.

Van jongs af aan worden gewild of ongewild door onze ouders bij ons de schaatsen strak ondergebonden, bewust zo strak om je het gevoel nooit meer te doen vergeten van die schitterende eerste keer, waar papa je het behulpzame duwtje gaf, zo van ‘Ga maar jongen!’ Van dubbele ijzers, een stoel als mogelijk hulpmiddel voor de losers die er niks van kunnen, naar pootje over en met twee handen rust uitstralend op de rug. En uiteindelijk zit er weer eentje tussen. Ene Sven Kramer die de concurrentie een decennium lang zowel letterlijk als figuurlijk met de handen op de rug de pijnlijke vernieling inrijdt. Zo’n klasbak waar al niet tegen te beginnen valt wanneer je naast hem klaar gaat staan, met oneindige stierenpoten waar je ’s nachts badend in het zweet van wakker schrikt. Als hij de verkeerde baan een keer niet inrijdt, staat er werkelijk geen maat op Sven Kramer. Net als dat bij Ireen het geval is, evenzo bij good-old Bob, zijn krullende New Kidsmatje dansend in zijn nek, met zijn irritante consumptieslis spugend in de microfoon van Bert.

 
De hele winter lang denken wij, stelletje chauvinistische hoopjes mens dat we er zijn, enkel aan rappe rondjes 30.3, schreeuwende coaches op de kruising, nipt aangetikte blokjes, de gaap die aantoont dat Wüst nondeju weer eens in vorm is. En Kjeld Nuis met zijn nieuwe tatoeage, Jan Blokhuijsen die ruzie heeft met zijn trainer van Cor en Don. Of de grappen en grollen van Jillert, de eeneiige tweeling Mulder en de verslaggevende stemmen van Hersman en Snoeks die never nooit meer weg te denken zijn.

Altijd gaat het over die stomme Nederlanders en hun nietszeggende nieuwsberichten in de Telegraaf. Over Sven Kramer die op de dag voorafgaand aan de Olympische tien kilometer ditmaal, ja mensen, schrik niet: lopend naar de ijsbaan ging (!!), in plaats van op zijn vertrouwde fiets. Het is toch niet te geloven zeg! Hoe durf je Sven?!

En jawel, op zo’n groots Olympisch toernooi is het allemaal wel leuk en hosanna wanneer de clean sheets je in veelvoud om de oren vliegen, het Wilhelmus meermaals je in de oren dreunt. Maar zeg nou zelf! Even weg met dat chauvinistische geleuter: zonder buitenlandse concurrentie houdt je het niet vol. Het schaatsen kent sowieso al honderdtachtigduizend verschillende toernooien met allround-, sprint- en afstandskampioenschap op zowel Europees, nationaal en wereldniveau. En dat er op de Nederlandse kampioenschappen niet per ongeluk een verdwaalde Rus in Thialf aan de start staat en Sven Kramer eens kansloos naar huis schaatst, dat lijkt me nogal voor zich spreken. Dat er op de WK’s wat meer getoond mag worden van onze buitenlandse vrienden lijkt me een redelijke eis.

Er is zowaar een razendsnelle Rus die het record van Wotherspoon oneerbiedig uit de boeken reed, toch mis ik de gouden tijden dat er een atypische schaatser stijlvol door de bochten vloog, wereldrecords op de koningsafstand achteloos uit zijn Amerikaanse mouwen schudde. Zijn lachende donkere gezicht, een keer geen dertien-in-een-dozijn blonde jongen uit het hoge noorden, onder de cap van zijn strakke schaatspak. De man die heerste op de middellange afstand, hij die in tranentrekkende schoonheid door de bochten heen danste, het zó gemakkelijk deed lijken, je het zelf na een minuutje of twintig oefenen ook wel zou moeten kunnen. Hij die de angstaanjagende buitenbocht kon meelopen wanneer zijn opponent grimassend van vermoeidheid de relatief gunstige laatste binnenbocht indook. Shani Davis. Hij dus.

Davis is een held, zal dat ondanks zijn matige prestaties de laatste jaren ook voor eens en altijd zijn. Ook al vielen zijn Spelen in Sotsji troosteloos in het Russische water, Shani liep nog steeds over het Olympisch park met een smile van oor tot oor, zijn witte tanden fel afstekend tegenover zijn donkere huidskleur. Shani Davis was een schaatser die je wilde zien, was anders dan de anderen. En nee, dat kwam dus niet enkel door zijn huidskleur, hoewel ik niet zo één-twee-drie op een andere donkere jongen op twee ijzers komen kon, maar Davis is een geweldenaar omdat hij plezier uitstraalt in de door hem zo geliefde sport, met zijn overheerlijke lage, Amerikaanse stem Bertje Maaldenrink even duidelijk maakte hoe blij hij wel niet was met zijn medaille, niet met brillen ging smijten wanneer er een wat mindere tijd op de klokken verscheen. Dit overigens bij wijze van spreken, want Shani draagt er namelijk geen. Maar je snapt denk ik wel wat ik bedoel.

 Shani Davis gaf Nederland een voorbeeld om naar toe te werken, zich op te trekken aan het hoge niveau waar de frivole Amerikaan eenzaam en alleen over beschikte, zich alleenheerser mocht noemen op het koningsnummer. Davis diende als richtpunt voor ons land. Hij was niet alleen een schaatser, een geweldenaar, hij was een streefbeeld, iemand die heel veel mensen later wilde zijn. En ik kan hopen, smeken, bidden bij alle Goden die er zijn voor een nieuwe Shani Davis, maar die komt er niet. Shani Davis zal in onze geheugens gegrift blijven als held, tot in de eenzame eeuwigheid aan toe. Een nieuw streefpunt zal er vast nog komen, een nieuwe Shani zal dat niet.

En ja, om de aankomende wereldkampioenschappen een nog één keer schitterende, stijlvolle en winnende Davis te zien, dan heb ik daar mijn hele spaarrekening voor over, plus die van mijn broertje. Een jaar geleden speelde Shani Davis zelfs met het idee om er voorgoed mee te stoppen, hij dacht dat het klaar was, over en sluiten. Maar toch werd hij nog wereldkampioen op de 1000 meter en gaat nu nog een keer voor goud op zíjn 1500. De man die zijn wereldrecord van hem afpakte, Denis Yuskov, die krijgt ervan langs aankomend WK, van een Shani Davis uit op zoete wraak. En ik zal het alvast zeggen: dat lijkt me geweldig!

Het kan mij dan ook ongegeneerd aan mijn reet roesten dat Kjeld Nuis zijn tot nu toe geweldige seizoen op die manier niet kan bekronen met een wereldtitel op dé afstand van de aan melkzuur vollopende bovenbenen. Want ik, ik hoop dat Davis, bij het ingaan van de laatste buitenbocht in stijlvolle elegantie, zoals hij dat altijd heeft gedaan, met een zelfverzekerde Amerikaanse grijns op zijn gezicht meeloopt met Nuis, hem in de laatste honderd meter op zijn plaats zet, zoals alleen de grootmeester dat kan.